GEOPHAGUS ALTIFRONS

Dieren index » Zoetwater dieren

             

Lengte: 25 cm.

 

Bak: 120 cm.

 

Laag: onder, midden.

 

Water: pH 6-7,5; zacht tot hard; 26-30°c.

 

Inrichting: bak met fijnkorrelige bodem en grote schuilplaatsen onder kienhout.
De dieren graven in de bovenlaag van het zand naar voedsel.

 

Gezelschap: andere rustige cichliden. meervallen, grotere karperzalmen.

 

Voer: muggenlarven, kleine regenwormen, als aanvulling ook grof droogvoer.

 

Geslachtsonderscheid: mannetje wat kleuriger, met lang uitgetrokken buik- en staartvinpunten.

 

Kweek: ovofiele muilbroeder met ouderfamilie.
Nadat zich een goed paar gevormd heeft, worden de eieren afgezet op een vast substraat en direkt daarna in de bek genomen.
Eerste opfokvoer: artemia.

 

Biotoop: waarschijnlijk als andere Geophagussoorten, nl. zandige, slikkige, grind- of rotsachtige delen van grotere stromende wateren (vaak bij omgevallen bomen e.d.).

 

Vergelijkbare soorten: andere Geophagus- en Satanoperca-soorten.
Heel lang geleden werden alle Geophagus-soorten met de naam G. surina­mensis aangeduid.
Thans weet men, dat er meer dan 10 verschillende, zij het erg op elkaar gelijkende soorten bestaan.
Die verschillen vaak wel sterk in hun voortplantingsgedrag; er zijn zowel substraatbroeders als muilbroeders onder.