APISTOGRAMMA AGASSIZI Gele dwergcichlide

Dieren index » Zoetwater dieren

             

Orde:

PERCIFORMES, Baarsachtigen.

Familie:

CICHLIDAE, Sierbaarzen.

Naamsverklaring:

Apistogramma: met veranderde lijn; agassizi: naar de zoöloog A. Agassiz (1835-1910).

Herkomst:

Centrale Amazonebekken.
Bolivia en de bovenlopen van de Rio Paraguay en Parana.

Uiterlijk en levenswijze:

De geslachtsnaam duidt op de zwarte lengtestreep die bij vele soorten voorkomt en waarvan de zichtbaarheid al naar gelang de stemming van de vis verbluffend kan wijzigen.
Ze kan geheel of gedeeltelijk verdwijnen en van grijs tot diepzwart gekleurd zijn.
De foto toont een mannetje met zijn karakteristieke, spits toelopende staartvin en de bijna draadvormig verlengde achterrand van de rugvin; ook de zeer lange buikvinnen zijn goed te zien.
De donkere lengtestreep is in het voorste deel sterk verbleekt.

In tegenstelling tot de meeste vissen zijn de mannetjes van A. agassizi behoorlijk groter dan de vrouwtjes.
Daarnaast onderscheidt het vrouwtje zich door afgeronde vinranden en een egale gele kleur, die slechts door de zwarte lengtestreep onderbroken wordt.
De lengtestreep kan ook hier wat verbleken, maar een donkere vlek onder de rugvin en een streep op het kieuwdeksel blijven altijd bestaan.

De Apistogrmnma-soorten behoren tot de holbroeders onder de Sierbaarzen, dat wil zeggen ze hebben een voorkeur voor holen en nissen aan de wanden waarvan ze hun eieren vastkleven. Kenmerkend voor deze groep is het opvallende geslachtsonderscheid en het feit dat de vrouwtjes de broedzorg alleen op zich nemen.
Bij de balts tonen de mannetjes hun mooiste kleurenpracht en is de pracht van hun grote vinnen het best te zien.
Tezamen maakt het paar de uitverkoren afzetplaats schoon, waartoe ze met de bek alle ongerechtigheden beetpakken en wegbrengen.
Het wijfje kleeft dan de ongeveer 300 ovale, donkerrood gekleurde eieren tegen de wand of zoldering van het hol.

Terwijl het vrouwtje het legsel bewaakt, verdedigt het mannetje het omliggende territorium.
In een groot aquarium kan 1 mannetje met meer dan één vrouwtje paren.
Ieder vrouwtje verdedigt dan een klein gebied om de broedplaats tegen andere vrouwtjes en eventuele vreemde mannetjes, laat echter het eigen mannetje ongemoeid.
De jongen komen bij 23-25°c na 2-4 dagen uit en worden door het vrouwtje in kleine kuiltjes in het zand verzameld.
De moeder neemt de jongen in de bek en spuwt ze in het vooraf gegraven kuiltje.
Op deze wijze brengt ze het broedsel steeds naar een andere plaats en bevrijdt ze tevens de jongen van eventueel vuil.
Als de dooierzak na 5-6 dagen is opgebruikt, gaan de jongen in een schooltje rondzwemmen, maar worden nog steeds door het vrouwtje gevoed en bewaakt tot ze na 2-4 weken zelfstandig zijn.

 

Verzorging:

Om het hoogst interessante territorium- en broedgedrag goed waar te kunnen nemen, is een niet te klein aquarium nodig.
Temperatuur: 22-24°C, in de broedtijd 25-28°C.
Dwergcichliden hebben zuurstofrijk water nodig, dat zacht en iets zuur moet zijn.
Als schuil- en afzetplaatsen komen in aanmerking natuursteen met holten, kienhout, bloempotten en kokosnootschalen.
De tegen parasieten, ziekten e.d. in de aquaristiek gebruikte chemicaliën kunnen voor dwergcichliden gevaarlijk zijn.
Men dient bij de toediening hiervan dus de nodige voorzichtigheid te betrachten.