APHYOSEMION GARDNERI

Dieren index » Zoetwater dieren

          

Orde:

CYPRINODONTIFORMES,Tandkarperachtigen.

Familie:

CYPRINODONTIDAE, Eierleggende tandkarpers.

Naamsverklaring:

Aphyosemion: kleine wimpeldrager: gardneri: naar Gardner.

 

Opmerking:

Vroeger was deze soort bekend onder de naam Apyosemion nigerianum,

Herkomst:

Tropisch Afrika, vooral in Nigeria en West-Kameroen.

Uiterlijk en levenswijze:

De verwantschapsverhoudingen tussen de diverse Westafrikaanse A.-soorten zijn een moeilijk en nog niet geheel opgehelderd probleem.
In een bepaald beperkt gebied bevinden zich dikwijls vissen met dezelfde vorm maar met zeer verschillende kleuren.
Exemplaren met overgangskleuren van de ene naar de andere soort maken de indeling en de naamgeving erg moeilijk en zo ontstaan er bij wetenschappelijke onderzoekingen ook naamsveranderingen. Ook de aquariaan, die in feite alleen let op de kleurenpracht van zijn vissen, wordt door deze naamsverandering geplaagd: vroeger heette deze vis A. calliurum, maar dit is een andere soort.

De foto toont 2 rivalen, die met wijdgespreide vinnen elkaar imponeren en zo hun volle kleurenrijkdom tentoonstellen. In tegenstelling tot andere A.-soorten heeft A. gardneri een afgeronde staart en rugvin.
In hun vaderland komen deze vissen zowel voor in uitdrogende plassen en dergelijke als op plaatsen waar altijd water blijft.
Afhankelijk van de omstandigheden zetten de dieren dan ook hun eieren af op de bodem of op de planten (zie ook A. australe).
De eieren kunnen zich in water normaal ontwikkelen, maar kunnen ook een droogteperiode overleven, waarin de ontwikkeling van de larven sterk geremd wordt.
De overlevingskansen hangen dan af van de schaaldikte en de bodemvochtigheid.
Eieren van bodemleggers hebben altijd stevige schalen, die ze tegen uitdrogen moeten beschermen.

Verzorging:

De vissen kan men verzorgen zoals bij A. australe is aan gegeven. Anders is het met de kweek.
De hieronder volgende aanwijzingen worden begrijpelijk, als men bedenkt dat de larven van A. gard neri het ei niet verlaten zolang het ei óf door het omgevende water óf door de in de droge bodem aanwezige lucht voldoende zuurstof kan ontvangen.
Onder zulke omstandigheden staat de Iarveontwikkellng stil; de larve teert dan op de dooierzak en kan dat 1 à 2 maanden blijven doen voordat hij zonder uit het ei te komen verhongert.
De kneep van de kweker ligt hierin, dat hij de ontwikkeling van de larve bij gunstige zuurstofhoeveelheid op gang moet brengen, om daarna het zuurstofniveau te verlagen zodat de larve uitkomt. Voor de kweek zijn het meest geschikt temperaturen van 21-26°c een
waterhardheid van 6-10odH.
Door filtering over turf kan men zwakzuur water verkrijgen.
Het best kan men de geslachten voor de kweek apart houden en ze paarsgewijze in de kweekbak zetten als het vrouwtje door een ronde buik als broedrijp kan worden aangemerkt.
AIs kweekbak neemt men een geheel glazen bakje met op de bodem uitgekookte turf vezels of fijn duinzand. Meestal zetten de dieren direct nadat ze samengebracht zijn af.
Bij het afzetten wervelen de dieren hun eieren in de losse bodemgrond.
Als de dieren voldoende hebben afgezet, werden ze verwijderd en wordt de waterspiegel tot dicht boven de bodemgrond verlaagd.
Na enige dagen haalt men zoveel water weg dat de turf of het zand droog ligt.
2-3 weken na de laatste eiafzetting voegt men weer water toe: 1-2 cm vermengd met stof van droogvoer.
Door de rotting van het droogvoer wordt aan het water zuurstof ontrokken en komen de larven na 12 uur uit.
Wil men de eiontwikkeling beter controleren, dan moet men in plaats van turf of zand groene perlonwatten of pollen watermos nemen.
De afgezette eieren kan men hier uitzoeken en in vlakke schalen met weinig water bedekken.
Bij een voldoende hoge temperatuur moeten de schalen in het donker worden bewaard.
Witte eieren moet men verwijderen.
Deze zijn niet goed; ze gaan beschimmelen en kunnen zo de goede eieren aantasten.
De schalen moeten goed worden afgedekt.
Na 2 weken verhoogt men weer de waterstand tot 1-2 cm, voegt stof van droogvoer toe, waarna de jonge visjes na 12 uur uitkomen.
De visjes eten eerst ArtemiaIarven, later Cyclops en
Daphnia