APHYOSEMION AUSTRALE Kaap Lopez

Dieren index » Zoetwater dieren

       

Orde:

CYPRINODONTIFORMES,Tandkarperachtigen.

 Familie:

CYPRINODONTIDAE, Eierleggendetandkarpers.

Naamsverklaring:

Aphyosemion: kleine wimpeldrager; australe: zuidelijk.

Herkomst:

De Kaap Lopez leeft in West-Afrika van de Kongo tot Gabon, bijzonder talrijk is de vis in de Ogoue-delta bij Kaap Lopez in Gabon.

Uiterlijk en levenswijze:

De Aphyosemion-soorten vervullen alle eisen gesteld aan ideale aquariumvissen: ze behoren in het algemeen tot de kleurrijkste, ze zijn klein en gemakkelijk te houden.
Het lichaam is slank en bijna rond cilindrisch.
De mannetjes zijn mooier gekleurd dan de vrouwtjes. De rug- aars- en staartvinnen zijn als met wimpels verlengd en lopen spits toe.
Tijdens de balts overheersen bij het mannetje donkerroodbruine kleuren, terwijl op de romp blauwgroene vlekken voorkomen.
De vrouwtjes zijn okerkleurig tot bruin op de romp, de vinnen zijn bijna kleurloos,

De grote kleuren- en vormenrijkdom van de Aphyosemion-soorten met dikwijls geleidelijke overgangen brengen met zich mee, dat de benaming van de soorten erg moeilijk is.

Wat betreft de voortplanting kan men bij het geslacht Aphyosemion twee groepen onderscheiden, al naar gelang de wijze waarop de eieren worden afgezet.
De plantenleggers, waartoe ook de Kaap Lopez behoort, kleven hun eieren aan de planten.
Ze bewonen in hun vaderland watertjes, die ook in de droge tijd water blijven bevatten.
Bij de bodemleggers liggen de omstandigheden anders.
Zij bewonen voornamelijk plaatsen die alleen in de regentijd water bevatten.
Hierdoor is het leven van de bodemleggende soorten slechts kort en beperkt tot de natte tijd.
De vissen sterven namelijk bij het uitdrogen van hun woonplaats.
Direct nadat in de eerstvolgende regentijd de plas zich weer met water heeft gevuld, zijn de vissen er ook weer.
Hoe is dat mogelijk?
Het geheim van deze aanpassing aan de jaargetijden ligt in de ontwikkelingscyclus van de eieren.
Door het afzettende ouderpaar worden
de eieren in de zachte bodemmodder begraven.

 Nauwelijks nadat de ontwikkeling van het ei is begonnen, komt ze weer tot stilstand door zuurstofgebrek in de rottende bodemlaag.
Pas na volledig uitdrogen van de modder komt de luchtzuurstof weer bij de eieren en wordt de ontwikkeling voortgezet.
De harde eischaal voorkomt het uitdrogen van de eieren. Als in het ei de larve volledig tot ontwikkeling is gekomen, staat de cyclus voor de tweede keer stil: pas bij de terugkeer van de regentijd komt er weer water in de plas en de larve krijgt opnieuw zuurstofgebrek.
Dit is het signaal om uit het ei te komen.
De levenscyclus van de vis en die van de plas beginnen en eindigen tegelijk.
Aangezien de reeds volledig ontwikkelde larven al na
4-5 uur na het natworden van de bodem uitkomen, is het vroegere geloof aan een 'visregen' begrijpelijk.
Deze interessante voortplantingswijze verklaart ook het optreden van Aphyosemion-soorten in kleine, niet met ander water in verbinding staande plassen.
De kweek van de bodemleggende soorten wordt besproken bij A. gardneri.

De naar boven gerichte bek vergemakkelijkt het eten van oppervlakte voedsel.
Daar de vissen natuurlijk ook muggelarven eten, dragen ze zeer zeker bij tot de verkleining van de hoeveelheid muggen in hun woongebied.

Verzorging:

Dicht beplante bakken en een temperatuur van 22-24°c. zijn het gunstigst.
Kweektemperatuur:
24-26°C.
Zwakzuur water (turffiltering) en een hardheid van
6-10 °dH zijn aan te bevelen.
Als voedsel wordt alle levend voer aangenomen.
Voor een grote kweek opbrengst is het beter mannetjes en vrouwtjes gescheiden te houden en ze pas kort voor het afzetten bij elkaar in de kweekbak te zetten, die met groene perlonwatten of veel fijnbladerige planten moet zijn gevuld. De vissen zetten dan dadelijk af.
De larven ontwikkelen zich in
12-14 dagen.
De eerste week hebben de jonge visjes infusoriën nodig, later Artemia-naupliën.
In
4-6 maanden zijn de vissen geslachtsrijp.