DIMIDIOCHROMIS COMPERRICEPS

Dieren index » Zoetwater dieren

             

Lengte: 24 cm.

Bak: 180 cm.

Laag: midden.

Water: pH 7,5-8,5; matig hard tot hard; 25-28°c.

Inrichting: bak met rotsgedeelten. daarnaast ook hoge, smalbladige planten (bijv. Vallisneria) waartussen het dier zich terug kan trekken.

Gezelschap: het beste met Utaka-cichliden en zandbewenende cichliden uit het Malawi-meer, meervallen; geen kleine vissen.

Voer: grof levend voer.

Geslachtsonderscheid: mannetje kleuriger, vrouwtje onopvallend.

Kweek: ovofiele muilbroeder met moederfamilie.
Eerste opfokvoer:
arternia-naupliën, ook droogvoer.

Biotoop: meergedeelten met begroeiing van waterplanten (vooral Vallisneria, ook riet), waar de dieren met omlaaggerichte kop op buit loeren.
Ze bijten vaak de ogen van karperachtige vissen uit, zoals uit onderzoek van de maaginhoud van dieren in het wild is gebleken; ogen zijn echter nooit het hoofdbestanddeel van het voedsel, meer 'iets lekkers op brood'.
Ogen van andere cichliden laat de vis blijkbaar met rust.
Het ogenbijten is alleen in de natuur, maar nog nooit in het aquarium waargenomen, en de slechte roep die de vis vroeger als ogenbijter had, is waarschijnlijk een beetje onverdiend.